“Het voelt soms alsof ik het steeds klein moet maken,” zegt Elsbeth terwijl ze uit het raam staart. “Alsof er maar een bepaalde hoeveelheid verdriet mag zijn. Alsof het anders te veel wordt. Voor anderen. Voor mezelf.”
Rouwen … en weer door.
We zijn al snel geneigd om door te gaan met ons leven. Of misschien verwacht de maatschappij dat van ons. Het leven wacht niet. Werk, gezin, afspraken, verantwoordelijkheden, die nemen alle ruimte in. Dus we zetten onze schouders eronder en proberen vooral niet te veel stil te staan bij wat pijn doet. Het liefst zouden we het verdriet gewoon kwijt zijn. Vergeten. Opgelost.
Maar rouw laat zich niet wegduwen. Rouwen vraagt geen oplossing maar ruimte om te onderzoeken
Je hebt vast wel eens een strandbal onder water propberen te houden. Je duwt en duwt, met al je kracht. Zolang je oplet, lukt het misschien. Maar even verslappen is genoeg. Met kracht schiet hij weer omhoog. Onverwacht en ongecontroleerd.
Zo werkt verdriet ook. Wat je onderdrukt, verdwijnt niet. Het zoekt een andere weg.
Want de pijn en het verdriet is niet weg. Het gemis is niet opgelost. Het wil (en mag) er gewoon zijn.
Rouw heeft ruimte nodig
Rouw is niet iets wat je even kunt fixen. Het is dan ook geen probleem dat opgelost moet worden. Of kan worden opgelost. Rouw is wennen aan een nieuwe werkelijkheid. Leren leven met het verdriet en met dat wat er niet meer is.
Wanneer je je verdriet structureel wegduwt, zakt het misschien onder de oppervlakte. Maar ondergronds leeft het door. Soms uit het zich in vermoeidheid. In prikkelbaarheid. In een plotselinge brok in je keel om iets ogenschijnlijk kleins.
Ruimte geven betekent niet dat je er dag en nacht in hoeft te verdrinken. Het betekent ook niet dat je alles moet voelen, altijd. Ruimte betekent: niet ontkennen dat het er is.
Grote ruimte, kleine ruimte.
Voor mij zit ruimte geven aan rouw vaak in juist iets ogenschijnlijk eenvoudigs. In het hebben staan van een foto. Het hardop noemen van een naam. In het niet meteen van onderwerp veranderen wanneer iemand ernaar vraagt.
Ruimte geven aan rouw betekent niet dat het de hele kamer moet vullen.
Het betekent dat het een plek mag hebben.
Dat kan klein zijn. Soms is dat letterlijk stilte. Even helemaal niets zeggen, er gewoon zijn. Even niets hoeven op te lossen. Het kan ook dat moment zijn waarop je op de bank gaat zitten en je het gemis toelaat. Of een wandeling maakt waarin je je gedachten de vrije loop krijgen. Een traan die niet meteen wordt weggeveegd.
En soms heeft het inderdaad meer ruimte nodig. Om te onderzoeken hoe je je voelt. Om aan te geven dat die dag of die week je gewoonweg minder lekker in je vel zit.
Ruimte om te durven zeggen: “Vandaag voelt het even zwaar.” Zonder uitleg. Zonder verontschuldiging. Of juist door ook de ruimte te nemen en wel te vertellen wat het voor je betekent of wat het zo zwaar maakt. Net waar jij behoefte aan hebt.
Rouw heeft geen haast. Je hoeft niet te voldoen aan een onzichtbare tijdslijn. “Nu moet het toch wel minder zijn.” Rouw vraagt geen resultaat. Rouw vraagt alleen bestaansrecht: aandacht, tijd en ruimte.
Geef rouw de ruimte
We zijn vaak bang dat wanneer we ruimte geven aan verdriet, het ons zal overspoelen. En we erin zullen verdrinken. Daarom proberen we het te verdringen. Maar gek genoeg gebeurt vaak het tegenovergestelde: Juist door verdriet ruimte te geven ervaren we meer rust en acceptatie en hoef je niet meer te vechten.
Verdriet en vreugde sluiten elkaar niet uit. Een traan en een lach bestaat naast elkaar. Soms zelfs in hetzelfde moment. Huilen van het lachen of vanuit verdriet toch een glimlach kunnen tonen.
Wanneer rouw ruimte krijgt, hoeft ze niet te schreeuwen.
Je hoeft die strandbal niet krampachtig onder water te houden. Misschien mag hij gewoon om je heen drijven. Aanwezig. Zichtbaar. Soms dichtbij, soms wat verder weg. Omdat je niet langer energie verliest aan het tegenhouden van wat uiteindelijk toch bovenkomt.
Ruimte bieden aan rouw lost het verdriet niet op. Maar maakt het wel draaglijker.
Verlies en rouw hebben geen plekje nodig maar ruimte.
En Elsbeth?
“Ik dacht dat als ik het eenmaal toeliet, het me zou overspoelen,” zegt ze terwijl ze me met grote ogen aankijkt. “Maar het tegenovergestelde gebeurde. Toen ik stopte met duwen, werd het rustiger. Het gemis bleef. Natuurlijk. Maar het werd minder dreigend.” Ze glimlacht. “Rouw neemt geen ruimte in beslag die er niet mag zijn. Ze vraagt alleen een plek. En toen ik haar die gaf, hoefde ze niet meer zo hard te kloppen.”
Lees ook: Rouw in de tijd en Rouw verdient aandacht

